Historie

De geschiedenis over de 3 kerken van Deurningen, gebouwd in respectievelijk 1787, 1830 en 1913.

De drie kerken vanaf 1787 in Deurningen.

De navolgende teksten zijn met toestemming overgenomen uit ‘Een verhaal van verbondenheid / 1665 – 2015’, Hasselo  Deurningen  Gammelke. Deze uitgave is samengesteld ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van parochie en dorpsgemeenschap Deurningen.

Augustus 2015.

Op zoek in Deurningen naar een locatie voor pastorie en kerk.

1781 en 1787

De opvolger van pastoor Davina in Saasveld/Deurningen was Hendrik Kagelink van het erve Kagelink in Diepenheim. Hij was zes jaar pastoor in Neede /Rietmolen geweest, toen hij zich in 1763 in Deurningen vestigde. Hij ging ook wonen bij de kerkschuur op het erve Wilthuis. Van daaruit bediende hij Saasveld.

Pastoor Kagelink begon aan een heel lang pastoraat (1763-1795). Interne conflicten bleven hem bespaard, maar hij moest wel tal van problemen met veel tact oplossen. De boze buitenwereld liet zich weer horen.

Hoewel er in het tweede deel van de achttiende eeuw in de Republiek een toleranter beleid heerste tegenover katholieken, stootte pastoor Kagelink dikwijls op moeilijkheden. Nog steeds dienden priesters de H.Mis onopvallend op te dragen. Voor het Vormsel moest je over de grens naar Duitsland, waar de bisschop van Münster het sacrament dagen achtereen toediende. De drost van Twente, Sigismund, graaf van Heyden Hompesch, die op de Commanderie in Ootmarsum woonde, mocht van deze activiteiten geen lucht krijgen. Want dan deelde de fanatiek gereformeerde drost fikse boetes uit.

Met hem kreeg pastoor Kagelink te maken toen een onvoorzichtige jongeman in Saasveld in de Kerstnacht van 1770 om vijf uur ’s morgens het poortklokje van het kasteel geluid had. Iedereen in de omgeving was katholiek, niemand zou het aangeven, maar er was over gepraat en zo had de drost van de overtreding gehoord. Gevolg: honderdveertig gulden boete, veel geld in die tijd. Zulke situaties  deden zich vaker voor onder Kagelink.

 

Te klein behuisd.

Toch was er in overleg – bijvoorbeeld met de Staten van Overijssel – meer mogelijk dan voorheen. Als de staties een lijst met kerkschuren overlegden, konden ze toestemming krijgen voor verbouwingen en reparaties in ruil voor handhaving van de regels. De kerkschuren in Deurningen waren niet geschikt meer. Ze waren te klein. Slechts driekwart van de 1500 zielen die de vier marken samen telden, kon erin. De rest moest buiten blijven, maar dat mocht  niet volgens de voorschriften. Binnen was het ’s winters geen pretje , met vee aan weerskanten dat de aandacht ook nog eens afleidde van de dienst.

Vieringen bijwonen in een groot aantal kerkschuren, zoals in Deurningen gebruikelijk was, beviel onderhand ook niet meer. Oorspronkelijk was het grote aantal waarschijnlijk van nut geweest om voor de protestantse overheid verstoppertje te spelen. Dat was rond 1775 niet meer nodig. Als katholiek mocht je best bestaan, als je maar niet opviel. Gemakshalve concentreerde men de diensten in Deurningen meestal op één erve. In documenten komt het erve Wilthuis steeds vaker in beeld als meest gebruikte locatie. Het erve lag heel centraal tussen twee bruggen en de pastoor van Saasveld/Deurningen woonde sinds 1760 op dat erf. Ook deze kerkschuur was veel te klein en dringend aan onderhoud toe, een teken dat het bouwwerk al lang in gebruik was. Bovendien was de pastoor slecht behuisd en vroeg de eigenaar Gerrit Kosterink op Wilthuis een hoge huur.

 

Acties voor kerk en pastorie.

Van twee kanten werd er vervolgens actie ondernomen. Vanuit de statie zelf verzochten  de vertegenwoordigers van de marken Gerrit Molleman en Albert Egberink onder leiding van de ‘rooms priester’ Henricus Cagelinck in 1779 de Staten van Overijssel een nieuwe, grotere kerkschuur te mogen bouwen. Op het terrein van Wilthuis of elders op een afgelegen plek, zo stelden ze voor. Daarin zouden ze ook de woning van de priester onderbrengen. Het nieuwe bedehuis kon dan alle vroegere locaties vervangen. In dit document treffen we een overzicht, een lijst, met kerkschuren aan die Deurningen rijk was. om aan de voorschriften te voldoen.

Ondertussen zat Gerrit Kosterink op Wilthuis ook niet stil. Hij had op 19 november 1778 het erve Wilthuis gekocht van de eigenaar predikant Strik uit Nordhorn voor 4000 gulden en daarvoor veel geld geleend. Op 30 november 1778 trouwde hij vervolgens met de weduwe Hermina Wilthuis – Houwes. Die het erf bewoonde. Hij wilde natuurlijk graag zijn bron van inkomsten behouden en diende daarom in 1780 bij dezelfde instantie een verzoek in om de nieuwe kerkschuur te mogen bouwen. In Kosterinks aanvraag komen we dezelfde argumenten tegen als in het verzoek van de pastoor en de vertegenwoordigers van de statie Deurningen. Kosterink voegt er echter nog een vermeldenswaardige reden aan toe. Pastoor Kagelink had gedreigd weer naar Saasveld te zullen verhuizen als er geen reparaties aan zijn onderkomen plaats vonden. Gezien het eerste verzoek lijkt het dreigement van Kagelink onwaarschijnlijk. In dat verzoek is ook een betere behuizing voor de pastoor aan de orde onder leiding van Kagelink zelf. Bovendien, Saasveld en Deurningen hadden dan wel dezelfde pastoor, ze waren langzamerhand al zo zelfstandig dat ze elk hun eigen boontjes dopten.

Ook Saasveld worstelde in die tijd met het vinden van een goede locatie voor een ‘kerk’ en een pastoorshuis.

Gerrit Kosterink deed nog een aanvullend verzoek aan de Edelmogende Heren van de Staten. Hij wilde niet alleen de een nieuwe kerkschuur op zijn erf bouwen, maar ook de zekerheid hebben dat het bedehuis daar bleef. Of de Heren dat maar voor hem wilden regelen. De investering moest wel verantwoord zijn!

 

De nieuwe pastorie        

1781

Gelukkig had de katholieke gemeenschap van Deurningen zich in 1787 een memorieboek aangeschaft. Het zou jaren meegaan. Er stond in wat de twee verzoeken  uit 1779 en 1780 hadden opgeleverd. Of er discussie over is geweest, stond er niet in vermeld. Gerrit Kosterink op Wlthuis kreeg wel goedkeuring, maar kon zijn plannen niet uitvoeren. De gemeenschap had een strategische keus gemaakt en eerst een huis voor pastoor Kagelink gebouwd. Toestemming daarvoor was kennelijk niet nodig. In 1781 kon de pastoor de pastorie betrekken. De woning was gebouwd op kosten van de katholieken, wel op grond aangekocht van Gerrit Kosterink op Wilthuis voor 700 gulden.

De nieuwe kerk zou er ook wel komen, verwachtten de Deurninger katholieken. Opvallend is dat ze niet meer praten over een kerkschuur, maar over een kerk. Ze begonnen geld in te zamelen in de marken  Deurningen, Hasselo en Gammelke. Had Klein Driene elders aansluiting gevonden? Lijsten van die inzamelingen zijn in het memorieboek terecht gekomen. Ze bevatten leuke informatie over de bewoners van de betreffende marken.

 

De eerste kerk in Deurningen

1787

Toestemming voor de bouw van de kerk, die volstrekt niet op een kerk mocht lijken, kreeg Deurningen in 1786. Ze waren er helemaal klaar voor. Onmiddellijk startten ze met de bouw naast de pastorie. Het werk vorderde voorspoedig en op 4 februari 1787 kon de eerste H. Mis gelezen worden.

De banken in de kerk waren destijds een bron van inkomsten voor de katholieke gemeenschap ter plaatse. Op 24 augustus 1787 kon je in Deurningen voor het eerst een bank huren in de kerk. Het huurgeld, beter bekend als bankenpacht, mocht je jaarlijks in vier termijnen betalen. Ook op de “singsolder” waren banken te huur. Voorlopig stond daar nog geen orgel. Dat moest nog even wachten tot het weer financieel verantwoord was.

Een orgelbouwer uit de omgeving van Fulda heeft in 1792 in het memorieboek geschreven dat hij van pastoor Kagelink 850 gulden voor het geleverde orgel ontvangen had.

 

Saasveld en Deurningen apart

1826

Vanaf 1826 zijn Saasveld en Deurningen zelfstandige staties met elk een eigen pastoor.

De eerste pastoor van alleen Deurningen heette Albert Teusse (1826-1830) Opnieuw een Twentenaar, in Reutum geboren.

Onder zijn pastoraat kwamen in Deurningen weer een nieuwe kerk en pastorie tot stand, op dezelfde plaats als de oude gebouwen. De overheid had meegewerkt aan de plannen en zelfs een forse financiële bijdrage geleverd voor de bouw. Die bijdrage kwam van het Ministerie van Rijkswaterstaat. Dat ministerie begon in de jaren na de grote omwenteling katholieken schadeloos te stellen van de ondervonden beperkingen tijdens de Reformatie. Ingenieurs op dit  ministerie leverden zelfs de bouwplannen voor de kerken. Vandaar dat dergelijke bedehuizen de naam  Waterstaatskerken kregen. Wel een efficiënte aanpak als je snel voorzieningen wilt treffen. Architectenbureaus bestonden nog niet. Het nadeel was dat al die kerken op elkaar leken, maar ze mochten er wel als kerk herkenbaar uitzien.

 

De kerk in Deurningen werd aanbesteed op 10 mei 1830 en voor 5750 gulden gegund aan een aannemer in Bentheim. Voor het aankopen van wat grond was 37 gulden nodig. Het werk gebeurde in snel tempo. Op18 november 1830 had de inzegening van de kerk al plaats en op 30 november volgde de eerste H. Mis. Het rijk had 5000 gulden beschikbaar gesteld en Provinciale Staten nog 1000 gulden bijgedragen.

Pastoor Teusse heeft het allemaal mee beleefd tijdens zijn korte pastoraat. Hij stierf Tweede Kerstdag 1830. Gelukkig heeft hij niet meer geweten dat de kerk van slechte kwaliteit was.

 

Een alzijdig parochieherder

In 1901 kwam de joviale en sociaal bewogen priester Wilhelmus Franciscus Gloerich als pastoor naar Deurningen. Geen Twentenaar dit keer, maar wel gemakkelijk in de omgang. Hij kwam uit het IJsselstadje Hasselt dat met Willem Gloerich zijn eerste katholieke priester na de Reformatie afleverde. Meteen na de veroveringstocht van Maurits langs de IJssel (1591) had de Classis van Deventer in het IJsselstadje de protestantisering in gang gezet. Door allerlei omstandigheden hadden de katholieken in Twente zich beter kunnen handhaven en waren uit dat gebied al veel eerder katholieke geestelijken voortgekomen. De statie Saasveld/Deurningen kreeg vanaf 1701 al Twentse priesters. Rond 1830 hadden twee priesters uit de statie Deurningen hun priesteropleiding al voltooid.

De intelligente Wilhelmus Gloerich had een merkwaardige start. Hij was na zijn wijding bij een adellijke familie in Westfalen geplaatst als huiskapelaan. Daar had de jongeman weinig te doen en dat sprak hij ook uit toen hij de aartsbisschop bij een bezoek aan Doesburg ontmoette. Binnen de kortste keren was hij kapelaan in Kabauw in Gelderland en vervolgens in Losser. Gloerich behoorde tot een kring van prominente priesters die elkaar regelmatig ontmoetten. Zijn vrienden waren dr. Sloet tot Everlo, de rector van het Duitse Benedictinessen klooster in Oldenzaal, dr. Ariëns, kapelaan in Enschede en kapelaan Groothuis uit Lonneker. Ariëns zette zich in voor de arbeiders en probeerde ze sociaal te organiseren en het drankmisbruik tegen te gaan. Groothuis schreef artikelen over Ariëns’ ideeën in de Twentsche Courant. De vrienden hechtten grote waarde aan het oordeel van Wilhelmus Gloerich.

 

Kerk aan vervanging toe

1908

Toen Wilhelmus Gloerich van Losser naar Deurningen kwam, bracht hij voor de parochie een cadeau mee. Een beeld voor de kerk. Het was een kostbaar houten beeld van St. Antonius abt uit de vijftiende eeuw (1480).Het staat nu nog te pronk in de kerk te Deurningen. Toen het klooster Maria Vlucht net over de grens in Glane in 1812 werd afgebroken, had de statie Losser veel beelden uit het bezit van dat klooster gekregen, ook dat van Antonius. Het klooster was “parochiekerk” van Losser geweest, toen de gelovigen tijdens de Reformatie in hun eigen dorp niet mochten kerken.

Toen Wilhelmus Gloerich in 1901 als pastoor in zijn nieuwe parochie arriveerde, trof hij de Waterstaatskerk en de pastorie in betreurenswaardige toestand aan. Het lukte hem niet bij de boeren geld los te krijgen om de problemen op te lossen. Toen nam de mensenkenner Gloerich zijn toevlucht tot een list. “Jullie kunnen hier voor niets een kerk krijgen,” zei hij op de preekstoel tegen zijn parochianen, “de fabrikanten willen ons helpen, op voorwaarde dat ze tien jaar lang in de parochie mogen jagen.” Het ging zoals de pastoor verwacht had. Na de mis staken de boeren de koppen bij elkaar. Gloerich had ze in hun boerentrots en jagerseer geraakt. Het antwoord was: “Dat köw zelf ok wa veur mekaar krieg’n.” En inderdaad hield Deurningen in 1908 een grote collecte en bovendien organiseerden ze een geslaagde loterij voor de bouw van een nieuwe kerk. Architect Ter Riele uit Deventer mocht tekeningen maken en vervolgens kon aannemer Bouwmeester in oktober 1910 voor f 52.700 aan de slag met de bouw. De kerk kwam nu op een andere plaats te staan, meer naar de kant van de Deurningeres. Het bouwwerk kwam er veel beter tot zijn recht. Daar eindigde bovendien het voetpad dat vanuit Hasselo door de Deurningeres over de beek naar de kerk liep. Op die plek was ook meer ruimte voor een nieuwe pastorie en een nieuw kerkhof. De kerk die ze toen bouwden, staat er nu nog, in 2015

 

Tegenslag

Voordat Deurningen de nieuwe kerk in gebruik kon nemen, maakten de  kerkgangers nog angstige momenten door. De oude kerk bij Pelster was zo bouwvallig dat de gelovige bezoekers zich zullen hebben afgevraagd of het er nog wel veilig was. Zelfs de gemeente kwam bezorgd informeren.

De bouw van de pastorie verliep voorspoedig en was in 1910 klaar. Pastoor Gloerich kon verhuizen. Maar in 1911 sloeg het onheil toe: in december stortte het middengewelf van de in aanbouw zijnde kerk in. De bouwvakkers kwamen met de schrik vrij, maar de oplevering van de kerk liep aanzienlijke vertraging op.

Op 3 juni 1913, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), kon aartsbisschop Mgr. Van de Wetering de kerk eindelijk consacreren. Het kerkhof was in maart al in gebruik genomen. Het oude kerkhof achter de Waterstaatskerk was geruimd en sommige graven naar de nieuwe begraafplaats overgebracht. Drie pastoors kregen er een gezamenlijk graf dat er nu nog is. Toen burgers later aan de Pastoor Teussestraat woningen bouwden, kwamen ze  nog herinneringen aan het oude kerkhof tegen. In 1920 was er geld voor een nieuw orgel en een torenuurwerk.

 

 

In periode 2006 – 2012 zijn de kerkelijke gebouwen gerestaureerd. Zie details